De uren in de kelder kropen voorbij.
Elke beweging deed pijn. Mijn ademhaling was oppervlakkig en mijn lichaam voelde zwaar aan. Toch bleef één gedachte helder in mijn hoofd.
Renata had gepraat.
Te veel gepraat.
Ze dacht dat ik stervende was.
Ze dacht dat niemand haar woorden ooit zou horen.
Maar ze kende Mateo niet.
Nog voor zonsopgang kwam hij terug.
Zijn gezicht stond ernstig, maar in zijn ogen zag ik iets wat ik al jaren niet meer had gezien: hoop.
“Ik heb Don Julián gevonden,” fluisterde hij.
Ik sloot mijn ogen van opluchting.
“En?”
Mateo keek even naar de deur voordat hij verder sprak.
“Hij zei dat u moest volhouden. Meer wilde hij niet zeggen.”
Dat was genoeg.
Don Julián was nooit zomaar een kleermaker geweest.
Toen mijn grootvader nog leefde, beheerde hij een discreet netwerk van mensen die de belangen van de familie Salgado beschermden. Geen geheim leger, geen duistere organisatie, maar een groep vertrouwelingen die generaties lang met mijn familie hadden samengewerkt.
Mensen die loyaliteit belangrijker vonden dan geld.
En blijkbaar waren sommigen van hen nog steeds actief.
Diezelfde middag veranderde de sfeer in het huis.
Auto’s reden af en aan.
Advocaten kwamen binnen.
Boekhouders verlieten het terrein met dozen documenten.
Eduardo leek gespannen.
Voor het eerst in jaren.
Vanuit de kelder hoorde ik verhitte gesprekken.
Telefoons die onafgebroken afgingen.