Ik werd wakker met mijn ogen dicht.
Alles voelde zwaar. Mijn hoofd, mijn armen, zelfs mijn ademhaling. Alsof mijn lichaam zich nog niet had gerealiseerd dat ik terug was.
Toen hoorde ik een zachte stem.
“Mam, ze komt eraan. Doe je ogen dicht.”
Ik herkende die stem onmiddellijk.
Milan.
Mijn negenjarige kleinzoon.
Voorzichtig opende ik mijn ogen een klein beetje.
Hij zat ineengedoken in de stoel naast mijn ziekenhuisbed. Zijn hoofd rustte tegen de matras. Hij zag er uitgeput uit, alsof hij uren had gewaakt.
“Milan?” fluisterde ik.
Zijn hoofd schoot omhoog.
Zijn ogen werden groot.
“Oma?”
Hij keek naar me alsof hij een geest zag.
Voordat hij iets anders kon zeggen, pakte ik zijn hand.
“Rustig. Ik ben wakker.”
Zijn gezicht vulde zich met opluchting.
Toen veranderde die opluchting plotseling in bezorgdheid.
“Nee,” zei hij haastig. “Doe je ogen weer dicht.”
Ik fronste.
“Waarom?”
Hij keek nerveus naar de deur.
“Als tante Lisa komt, moet ze denken dat je nog slaapt.”
Mijn hart sloeg een slag over.
“Waarom zou ze dat moeten denken?”
Milan beet op zijn lip.
Hij leek te twijfelen.
Kinderen dragen soms geheimen die veel te zwaar voor hen zijn.
“Omdat ze anders boos wordt.”
“Boos waarop?”
Hij antwoordde niet meteen.
Toen ging de deur van de kamer open.
Milan schoot rechtop.
Ik sloot instinctief mijn ogen.
Voetstappen.
Twee personen.