Ik voelde mijn benen trillen.
“Wie is ze?” vroeg ik.
De vrouw keek om zich heen alsof ze ieder moment iemand verwachtte.
“Niet hier.”
“Dan waar?”
Ze wees naar een smal straatje achter het café.
“Loop achter mij aan. Maar geen telefoontjes. Geen foto’s. En zeg haar naam nergens hardop.”
Michael keek me aan.
“Dit voelt niet goed.”
“Dat weet ik,” fluisterde ik. “Maar we zijn misschien dichter bij Nora dan ooit.”
We volgden de vrouw naar een klein parkje achter de gebouwen. Daar bleef ze staan bij een houten bank.
“Mijn naam is Elena,” zei ze.
“En die omslagdoek?”
Elena keek ernaar alsof het een voorwerp was dat ze liever nooit meer had gezien.
“Ik heb hem niet gekocht.”
“Waar heb je hem dan vandaan?”
“Van een meisje.”
Mijn adem stokte.
“Wanneer?”
“Ongeveer acht jaar geleden.”
Michael pakte mijn hand.
“Wat bedoel je met een meisje?”
Elena slikte.
“Ze was klein. Misschien zes of zeven. Ze wist haar volledige naam niet.”
Mijn hart begon zo hard te slaan dat ik nauwelijks kon nadenken.
“Wat zei ze dan?”
Elena keek naar mij.