De Vrouw in de Wachtkamer
Ik stond stokstijf.
Aan de andere kant van de wachtkamer zat een vrouw op een blauwe stoel. Haar donkere haar viel precies zoals dat van Clara vroeger altijd viel. Ze hield haar handen gevouwen op haar schoot en keek op toen ik binnenkwam.
Mijn hart sloeg een slag over.
Ze leek niet alleen op Clara.
Ze was Clara.
Of tenminste, zo zag het eruit.
De vrouw stond langzaam op. Haar ogen vulden zich met tranen.
“Sarah,” fluisterde ze.
Mijn benen voelden slap aan. Alles in mij schreeuwde dat dit onmogelijk was. Tien jaar lang had ik geloofd dat mijn zus dood was. Ik had haar begraven. Ik had om haar gerouwd. Ik had geleerd verder te leven.
En nu stond ze hier.
“Wie bent u?” hoorde ik mezelf vragen.
De vrouw slikte.
“Ik ben Clara.”
Ik schudde direct mijn hoofd.
“Nee.”
“Sarah…”
“Nee!” riep ik harder. “Mijn zus is dood.”
Mensen in de wachtkamer keken geschrokken op. De receptioniste kwam overeind, duidelijk bezorgd.
De vrouw voor me begon te huilen.
“Ik weet dat je dat denkt,” zei ze zacht. “Maar alsjeblieft. Laat me alles uitleggen.”
Ik wilde wegrennen.
Toch bleef ik staan.
Want er was iets dat niemand anders kon weten.
Een klein litteken boven haar linkerwenkbrauw.
Een litteken dat Clara had gekregen toen we acht waren en samen uit een boom waren gevallen.
Ik had het duizenden keren gezien.