Ik liet Richards arm los.
Hij liep nog steeds richting zijn auto.
“Richard, wacht.”
Hij bleef staan, maar draaide zich niet om.
Jason kwam langzaam dichterbij.
“Ken ik jou?”
Richard sloot zijn ogen.
Dat antwoord was al genoeg.
Er was iets.
Iets dat hij al die tijd voor mij had verzwegen.
Ik voelde mijn hart bonzen.
“Richard,” zei ik, “alsjeblieft. Niet weggaan voordat je me vertelt waarom je zo reageert.”
Hij draaide zich uiteindelijk om.
Zijn gezicht was bleek.
“Linda, ik wilde dit nooit.”
“Wat wilde je nooit?”
“Dat ik hem ooit weer zou zien.”
Jason keek verbaasd.
“Hebben wij elkaar eerder ontmoet?”
Richard knikte langzaam.
“Ja.”
Mijn mond viel open.
“Wanneer?”
“Toen je veertien was.”
Jason keek naar zijn moeder.
“Natuurlijk herinner ik me dat niet.”
Richard haalde diep adem.
“Dat hoeft ook niet. Het was maar één keer.”
“Waar?” vroeg Jason.
“Op een kantoor.”
“Wat voor kantoor?”
Richard keek naar mij.
“Het kantoor van je vader.”
Mijn adem stokte.
Mijn overleden echtgenoot.
Michael.
Acht jaar geleden was hij overleden, maar zijn naam leek plotseling weer midden in onze woonkamer te staan.
“Wat deed jij bij mijn man?” vroeg ik.
“Ik werkte voor hem.”
Jason fronste.
“Wat voor werk?”
“Financiële zaken. Ik hielp hem met enkele zakelijke dossiers.”
Jason keek hem onderzoekend aan.
“Waarom herinner ik me jou dan niet?”
“Omdat je vader wilde dat je niets wist.”