De volgende ochtend stond ik om half zes op.
Niet omdat Vivian me nodig had.
Niet omdat er een afspraak gepland stond.
Maar omdat ik antwoorden wilde.
Ik zette koffie, pakte mijn laptop en ging aan de keukentafel zitten terwijl het huis nog stil was. De lucht buiten was donkergrijs. De oude paardenkastanje in de voortuin bewoog zachtjes in de wind.
Acht maanden.
Acht maanden had ik mijn leven op pauze gezet.
Als Grant en Vivian werkelijk iets verborgen hielden, dan zou ik het vinden.
Ik opende de map waarin ik al onze documenten bewaarde.
Bankafschriften.
Verzekeringen.
Belastingpapieren.
Contracten.
Normaal gesproken bewaarde ik alles zorgvuldig geordend. Maar de afgelopen maanden had ik veel documenten vluchtig bekeken en daarna opgeborgen, omdat ik voortdurend werd afgeleid door Vivian.
Nu las ik alles opnieuw.
Regel voor regel.
Pagina voor pagina.
En na minder dan twintig minuten vond ik iets vreemds.
Een formulier dat ik me nauwelijks herinnerde.
Bovenaan stond een juridische titel die ik destijds niet volledig had gelezen omdat Grant haast had gehad.
“Het gaat alleen om de zorg voor mijn moeder,” had hij gezegd.
Ik herinnerde me dat moment plotseling haarscherp.
Vivian had zogenaamd een slechte dag gehad.
Grant moest naar een klant.
Ik had nauwelijks geslapen.
En hij had me gevraagd snel te tekenen.
Mijn hart begon sneller te kloppen.
Ik las verder.
Daar stond het.
Niet groot.
Niet vetgedrukt.
Maar duidelijk genoeg.