De deur kraakte luid toen ik hem voorzichtig openduwde.
Mijn zoon bleef dicht achter me staan. Ik voelde zijn kleine hand stevig om de mijne geklemd.
Binnen was het donker.
De lucht rook naar oud hout en vochtige aarde.
Door een gebroken raam viel een smalle strook zonlicht naar binnen. Stofdeeltjes zweefden langzaam door de ruimte.
Toen hoorde ik het geluid opnieuw.
Het zachte gehuil.
Ik keek om me heen.
In een hoek van de hut stond een oude houten wieg.
Mijn hart sloeg een slag over.
Voorzichtig liep ik dichterbij.
Maar toen ik erin keek, verstijfde ik.
De wieg was leeg.
Er lag geen baby.
Alleen een oude deken en een klein apparaatje dat eruitzag als een draagbare luidspreker.
Het gehuil kwam daaruit.
Mijn zoon keek verbaasd.
“Maar ik dacht dat er echt een baby was.”
“Dat dacht ik ook,” zei ik.
Ik bukte en pakte het apparaat op.
Het speelde een opname af van een huilend kind.
De opname herhaalde zich steeds opnieuw.
Een koude rilling liep over mijn rug.
Waarom zou iemand een verlaten hut vullen met het geluid van een huilende baby?
Dat voelde niet als een onschuldige grap.
Ik zette het apparaat uit.
Meteen viel er een vreemde stilte.
Toen zag ik iets anders.
Op een kleine tafel lag een notitieboek.
Het zag er vrij nieuw uit.
Alsof iemand hier onlangs nog was geweest.
Ik sloeg het open.
De eerste pagina was leeg.
De tweede ook.
Pas op de derde pagina stond iets geschreven.
“Als iemand dit vindt, bel dan het nummer achterin.”
Meer stond er niet.
Mijn zoon keek nieuwsgierig mee.
“Pap, wat betekent dat?”
“Dat weet ik nog niet.”
Ik bladerde verder.
Alle pagina’s waren leeg.
Helemaal achterin stond inderdaad een telefoonnummer.
Geen naam.
Geen uitleg.
Niets.
Mijn eerste gedachte was om de politie te bellen.