“Ik zag hem Daisy niet meenemen om haar in slaap te krijgen.”
Mijn hart sloeg over.
“Wat bedoel je?”
Charlotte keek naar de voordeur alsof ze bang was dat iemand ons kon horen.
“Ik zag hem bij de parkeergarage.”
“Dat doet hij toch vaker?”
“Niet zoals vanavond.”
Ze zette Daisy voorzichtig op de bank. Mijn dochter keek me aan met grote, slaperige ogen.
“Waar is hij nu?”
Charlotte schudde haar hoofd.
“Dat weet ik niet.”
Ik voelde een koude rilling door mijn lichaam gaan.
“Charlotte, je maakt me bang.”
“Dat is niet mijn bedoeling.”
Ze haalde haar telefoon tevoorschijn.
“Ik heb een foto gemaakt.”
Ze draaide het scherm naar mij.
Op de foto stond een donkere auto bij de uitgang van onze parkeergarage.
Oliver stond ernaast.
Maar hij was niet alleen.
Naast hem stond een vrouw.
Ik herkende haar niet.
En Daisy stond helemaal niet op de foto.
Ik keek naar Charlotte.
“Waar is mijn dochter vandaan gekomen?”