De taxi reed door de straten van Baltimore terwijl ik mijn vaders werkplaats voor me zag.
Mijn vader had daar bijna veertig jaar gewerkt.
Hij was een rustige man. Niet iemand die snel zijn stem verhief of zich met andermans zaken bemoeide. Maar er was één ding waar hij nooit over zweeg: wanneer iemand zijn dochter onrechtvaardig behandelde.
Ik pakte mijn telefoon en belde hem.
“Pap?”
“Sam?”
“Is Beatrice bij jou?”
Hij zweeg even.
“Nee. Waarom?”
“Ze dreigt naar je toe te komen.”
Mijn vader zuchtte.
“Dan zal ze moeten wachten. Ik heb bezoek.”
“Wie?”
“Dat zul je straks wel zien.”
Ik kende die toon.
“Pap, wat heb je gedaan?”
“Ik? Helemaal niets.”
Hij lachte zacht.
“Maar iemand anders wel.”
De verbinding werd verbroken.
Ik keek uit het raam.
Voor het eerst die ochtend voelde ik geen angst.
Alleen nieuwsgierigheid.
Toen ik bij het Grand Plaza Hotel aankwam, stond er een medewerker bij de ingang op me te wachten.
“Mevrouw Miller?”
Ik knikte.
“De vergaderruimte is klaar. De investeerders zijn er al.”
Ik liep naar binnen.
Het voelde vreemd om daar te staan.