Ver weg.
Dat was het enige wat ik die avond kon bedenken.
Niet omdat ik wist waar ik heen zou gaan, maar omdat ik wist waar ik niet meer wilde zijn.
Ik liep bijna twintig minuten door de regen voordat ik een klein hotel vond vlak bij het centrum. Mijn jas was doorweekt. Mijn schoenen maakten bij iedere stap een zacht klakkend geluid op de tegelvloer van de lobby.
De receptionist keek naar me.
“Een kamer voor vannacht?”
Ik knikte.
Toen ik mijn creditcard tevoorschijn haalde, zag ik mijn eigen weerspiegeling in het scherm van de betaalterminal.
Een nat gezicht.
Rode ogen.
Maar geen tranen.
Ik ging naar boven, deed mijn schoenen uit en legde mijn telefoon op het nachtkastje.
Hij begon vrijwel onmiddellijk te trillen.
Papa.
Mama.
Leah.
Nog een keer papa.
Toen een bericht van mama.
“Je hebt iedereen voor schut gezet.”