“We willen u niet onnodig bang maken,” zei hij, “maar we nemen dit serieus.”
“Is het een volgapparaat?”
“We kunnen dat nog niet bevestigen.”
“Maar u denkt van wel?”
“Er zijn verschillende mogelijkheden.”
Hij legde zijn notitieboek op tafel.
“Belangrijker is dat iemand toegang tot uw zoon lijkt te hebben gehad zonder dat u daarvan op de hoogte was.”
Ik dacht aan de afgelopen weken.
School.
Voetbaltraining.
De bibliotheek.
De kapsalon.
“Mijn zoon gaat zelfstandig het schoolplein op en af.”
“Dat hoeft u zichzelf niet kwalijk te nemen.”
Ik keek hem aan.
“Ik wil weten wie dit heeft gedaan.”
“Dat willen wij ook.”
Toen ging zijn portofoon.
Hij luisterde enkele seconden.
Zijn gezicht veranderde.
“Begrepen.”
Hij stond op.
“Wat is er?”
“We hebben een tweede locatie nodig.”
“Welke?”
Hij keek naar mijn zoon, die inmiddels met een agent aan tafel zat.
“De school.”
Een uur later stonden er twee politieauto’s voor de basisschool.
De directeur kwam haastig naar buiten.
“Wat is er gebeurd?”
Van Dijk liet zijn legitimatie zien.
“We hebben enkele vragen over een persoon die zich de afgelopen weken rond de school heeft opgehouden.”
De directeur keek bezorgd.
“Over wie?”
“We hopen dat u ons dat kunt vertellen.”
Binnen werden de camerabeelden bekeken.
Ik zat met Ethan in een aparte ruimte.
Hij hield een beker warme chocolademelk vast.
“Ben je bang?” vroeg ik.
“Een beetje.”
“Je hebt niets fout gedaan.”
Hij knikte.
“Mag ik iets vragen?”
“Alles.”
“Waarom zou iemand dat bij mij doen?”
Ik wist niet wat ik moest zeggen.
Dus zei ik de waarheid.
“Dat weten we nog niet.”
Hij keek naar zijn beker.
“Die man wist papa’s naam.”
Ik voelde een steek door mijn borst.
“Wat zei hij precies?”
“Hij zei dat papa vroeger iets voor hem had gedaan.”
“Wat voor iets?”
Ethan haalde zijn schouders op.
“Dat zei hij niet.”
De deur ging open.
Agent Van Dijk kwam binnen.
“Mevrouw?”
Ik stond op.
“Hebben jullie hem gevonden?”
“Nog niet.”
Mijn hart zakte.
“Maar we hebben wel iets interessants.”
Hij legde een foto op tafel.
Daarop stond een man die bij het schoolhek stond.
“Kent u hem?”
Ik keek naar de foto.
Ik herkende hem onmiddellijk.
“Dat is hem.”
Van Dijk knikte.
“Zijn naam is Martin Keller.”
De naam zei me niets.
“Waarom kende hij mijn man?”
“Dat onderzoeken we.”
Hij schoof een tweede foto naar voren.
“Maar er is nog iets.”
Op de tweede foto stond dezelfde man bij de kapsalon.
Ik voelde mijn vingers koud worden.
“Dat is de plek waar Ethan vandaag was.”
“Precies.”
Marcus, de kapper, werd diezelfde middag verhoord.
Hij vertelde dat hij het vreemde voorwerp pas had gezien toen hij Ethans haar rond zijn oor korter maakte.
“Ik wilde het niet aanraken,” zei hij.
“Waarom fluisterde je het naar mij?”
Marcus keek naar mij.
“Omdat ik dacht dat iemand misschien wilde voorkomen dat u het zag.”
“Heb je die man eerder gezien?”
Hij aarzelde.
“Een keer.”
“Wanneer?”
“Vorige maand.”
“Waar?”
“Op straat.”
Marcus keek naar de agent.
“Hij vroeg naar Ethan.”
Mijn hart sloeg sneller.
“Wat zei hij?”
“Hij vroeg of Ethan vaak op zaterdag kwam.”
De agent schreef het op.
“En wat antwoordde je?”
“Dat ik geen informatie over klanten geef.”
Ik keek naar Marcus.
“Waarom heb je me vandaag niet meteen verteld dat hij naar Ethan had gevraagd?”
“Ik dacht dat het niets betekende.”
Dat antwoord kon ik hem niet kwalijk nemen.
Op dat moment wist niemand hoe belangrijk die vraag zou blijken.
Die avond kreeg ik een telefoontje van Van Dijk.
“We hebben toestemming gekregen om de camerabeelden van verschillende locaties naast elkaar te leggen.”
“En?”
“De man is meerdere keren in de buurt van uw woning geweest.”
Ik sloot mijn ogen.
“Hoe vaak?”
“Dat zijn we nog aan het uitzoeken.”
“Was hij alleen?”
“Meestal.”
“Meestal?”
Er viel een stilte.
“Op één avond stond er iemand anders bij hem.”
Mijn hart sloeg over.
“Wie?”
“We proberen die persoon te identificeren.”
De volgende ochtend werd ik wakker door een klop op de deur.
Van Dijk stond buiten.