Verhaal 2026 13 11

DEEL 2: Wat mijn moeder al wist

Adrian keek me enkele seconden aan voordat hij zacht zei:

“Emma, ik wil dat je vanaf nu voorzichtig bent met wat je tegen je familie zegt.”

“Waarom?”

“Omdat iemand blijkbaar informatie had die alleen jij en een paar mensen konden weten.”

Ik keek opnieuw naar het bericht van mijn moeder.

Verzekeringsfraude is een misdaad. Denk goed na voordat je liegt.

Mijn vingers werden koud.

“Wat als zij gewoon vermoedt dat ik een verzekering heb?”

Adrian schudde zijn hoofd.

“Dat zou kunnen. Maar op dit moment weten we het niet. Daarom gaan we niets aannemen.”

Hij wees naar mijn telefoon.

“Bewaar alles. Verwijder niets. Reageer nergens boos op.”

Ik knikte.

Voor het eerst sinds de brand voelde ik iets anders dan verdriet.

Ik voelde alertheid.

Iemand had mijn appartement in brand gestoken.

Iemand had een reservesleutel laten namaken.

Iemand had geweten dat ik waarschijnlijk niet thuis zou zijn.

En nu probeerde iemand mij ervan te overtuigen dat ik zelf iets verkeerd had gedaan.

Maar er was nog één vraag die me niet losliet.

Waar was Oliver?


De volgende ochtend zat ik in een tijdelijk hotel toen Adrian me belde.

“We hebben je kat gevonden.”

Ik sprong overeind.

“Oliver?”

“Hij leeft.”

Ik sloot mijn ogen.

Een enorme opluchting trok door me heen.

“Waar is hij?”

“Bij een dierenarts. Een brandweerman vond hem onder een bed in een aangrenzende kamer.”

Ik pakte onmiddellijk mijn jas.

Een uur later zat ik naast Oliver.

Hij was verzwakt en had een paar kleine brandwonden, maar hij reageerde toen ik zijn naam zei.

“Hé, jongen.”

Hij duwde zijn kop voorzichtig tegen mijn hand.

Ik begon te huilen.

Dit waren de eerste tranen die niet alleen uit verdriet kwamen.

Hij was er nog.

Mijn kleine, koppige kat was er nog.

En terwijl ik hem aaide, zag ik iets bijzonders.

Een klein rood vlekje op zijn halsband.

“Wat is dat?”

De dierenarts keek ernaar.

“Dat zat er al toen hij werd binnengebracht.”

Ik draaide de halsband om.

Daar zat een minuscuul stukje gesmolten plastic aan vast.

Adrian, die naast me stond, boog zich voorover.

“Niet aanraken.”

Hij maakte een foto.

“Dit kan belangrijk zijn.”

Ik keek hem aan.

“Waarom?”

“Misschien is het afkomstig van iets dat tijdens de brand in de kamer lag.”

Hij zweeg even.

“Of van iemand die daar geweest is.”


Die middag kwam Lena naar het hotel.

Mijn collega zag er bezorgd uit.

“Emma, ik heb iets wat je moet weten.”

“Wat?”

Ze legde haar telefoon op tafel.

“De foto die je op het vliegveld plaatste.”

Ik knikte.

Lees verder op de volgende pagina

Leave a Comment