Hij stond op en veegde zijn handen af aan zijn broek.
“Kom mee naar binnen.”
“Waarom?”
“Omdat ik het je daar kan uitleggen.”
Ik bleef staan.
“Dan kun je het hier ook uitleggen.”
Hij keek naar onze dochter, die inmiddels bij het raam stond.
“Niet waar zij bij is.”
Dat ene zinnetje maakte alles erger.
Ik keek naar mijn dochter en probeerde mijn gezicht neutraal te houden.
“Ga jij maar even je tanden poetsen, lieverd.”
Ze keek van mij naar haar vader.
“Waarom?”
“Omdat mama het vraagt.”
Ze liep langzaam naar de badkamer.
Zodra ze uit zicht was, draaide ik me naar hem om.
“Nou?”
Hij zuchtte.
“Je denkt dat ik vreemdga.”
Ik zei niets.
Hij lachte kort, maar er zat geen humor in.
“Dat meen je echt.”
“Wat moet ik anders denken?”
“Dat er misschien een andere verklaring is?”
“Dan hoor ik die graag.”
Hij keek naar de zwarte pluk op het keukenpapier.
“Ik kan je vertellen wat ik weet.”
“Doe dat.”
“Dat haar hoort niet bij mij.”
“Dat is niet echt een verklaring.”
“Ik weet het.”
Hij ging aan de keukentafel zitten.
Ik bleef staan.
“Een paar weken geleden had ik problemen met de auto.”
“Welke problemen?”
“Een vreemd geluid. Vooral bij het optrekken.”
“Waarom heb je dat nooit verteld?”
“Omdat ik dacht dat het niets was.”
“En?”
“Gisteren werd het erger. Daarom heb ik vanmorgen besloten langs de garage te rijden.”
Ik keek hem wantrouwig aan.
“En het haar?”
“Geen idee.”
“Maar je wist meteen dat het uit je uitlaat kwam.”
“Ik zag het toch zelf?”
“Je reageerde alsof je wist dat het daar zat.”
Hij zweeg.
Dat vond ik erger dan een antwoord.
“Vertel me alles.”
Hij wreef over zijn gezicht.
“Goed.”
Hij keek me aan.
“Een maand geleden heb ik iemand geholpen.”
“Wie?”
“Een collega.”
“Welke collega?”
“Marianne.”