“Ja.”
Ik glimlachte.
“Ik ben gewoon blij je weer te zien.”
Aan de andere kant van de tafel keek Joon ons aan.
Zijn gezicht was vriendelijk.
Bijna té vriendelijk.
Zijn vader, Young-ho, zei weinig.
Zijn moeder, Sun-hee, probeerde voortdurend het gesprek gaande te houden.
Tijdens het eten stelde Emily vragen over mijn reis.
Ik antwoordde.
Maar ondertussen observeerde ik Joon.
Hij keek nauwelijks naar zijn vader.
Wanneer hun blikken elkaar kruisten, leek er een stille waarschuwing tussen hen te bestaan.
Na het eten stond Emily op.
“Wie wil thee?”
“Ik,” zei ik.
Joon stond ook op.
“Ik help je.”
Ik wilde weigeren, maar besloot het niet te doen.
In de keuken zei hij zacht:
“Je hebt een lange vlucht gehad. Je moet vroeg gaan slapen.”
“Waarschijnlijk.”
Hij zette de waterkoker aan.
Toen vroeg hij:
“Je spreekt toch geen Koreaans?”
Ik keek hem recht aan.
“Een beetje.”
Hij glimlachte.
“Dat is handig.”
“Ja.”
Hij draaide zich om.
Ik wist dat hij me testte.
Maar ik wist ook dat hij niet zeker wist wat ik had gehoord.
Die nacht kon ik niet slapen.
Rond twee uur ‘s nachts hoorde ik stemmen in de gang.
Ik deed de deur voorzichtig open.
Joon en zijn vader stonden beneden.
Ik hoorde Young-ho zeggen:
“Je had het haar niet moeten vertellen.”
“Ik heb niets verteld.”
“Ze kijkt naar je alsof ze iets weet.”
“Ze weet niets.”
“Je weet het niet.”
Ik hield mijn adem in.
Toen zei Joon:
“Als ze iets ontdekt, is alles voorbij.”
Mijn hart begon sneller te kloppen.
“Wat is er voorbij?” vroeg Young-ho.
Joon zweeg.
“Je huwelijk?” vroeg zijn vader.
“Niet alleen mijn huwelijk.”
“Dan moet je het haar eindelijk vertellen.”
“Ik kan niet.”
“Waarom?”
“Omdat Emily me nooit zou vergeven.”
Ik drukte mijn hand tegen mijn mond.
Toen hoorde ik een deur.
Ik trok me snel terug in mijn kamer.
Mijn hart bonsde.
Wie was Joon werkelijk?
En wat had hij gedaan waardoor mijn dochter hem nooit zou vergeven?
De volgende ochtend besloot ik niets te zeggen.
Nog niet.
Ik wilde eerst bewijs.
Niet alleen vermoedens.
Emily had recht op de waarheid, maar ze verdiende ook bescherming tegen een beschuldiging die misschien niet volledig begrepen was.
Tijdens het ontbijt zag ik dat Joon zijn telefoon op tafel had laten liggen.
Er verscheen een bericht.
Een naam.
Daniel.
Daaronder:
“We moeten praten voordat haar moeder teruggaat.”
Ik voelde mijn maag samentrekken.
Ik wist niet wie Daniel was.
Maar blijkbaar wist hij iets.
Ik maakte een foto van het scherm met mijn eigen telefoon toen Joon even naar buiten liep.
Toen verwijderde ik mijn telefoon weer.
Later die ochtend zei Emily:
“Mam, wil je met me mee naar de markt?”
“Natuurlijk.”
Onderweg vroeg ze:
“Je bent stil.”
Ik keek naar haar.
“Heb je ooit het gevoel gehad dat Joon iets voor je verborgen houdt?”
Ze lachte ongemakkelijk.
“Waarom vraag je dat?”
“Gewoon.”
Ze bleef even stil.
“Eigenlijk wel.”
Mijn hart sloeg over.
“Wat bedoel je?”
“De laatste maanden is hij anders.”
“Hoe?”
“Hij krijgt telefoontjes die hij buiten aanneemt. Hij is soms gespannen. En als ik vraag wat er is, zegt hij dat het werk is.”
“Heb je hem ermee geconfronteerd?”
“Ja.”
“En?”
“Hij zei dat ik me geen zorgen moest maken.”
Ik pakte haar hand.
“Emily.”
Ze keek me aan.
“Wat?”
“Als er iets is, wil ik dat je weet dat je altijd bij mij terechtkunt.”
Ze glimlachte.
“Dat weet ik.”
Maar ik wist dat ze dat niet echt wist.
Nog niet.
Die middag ging Emily naar een afspraak.
Ik bleef alleen thuis.
Young-ho zat in de woonkamer.
Hij keek naar me.
“U spreekt Koreaans.”
Het was geen vraag.
Ik keek hem rustig aan.
“Ja.”
Hij zuchtte.
“Hoeveel hebt u gehoord?”
“Alles.”
Hij sloot zijn ogen.
“Dan weet u dat Joon niet de man is die u denkt dat hij is.”
“Vertel het me.”
Hij keek naar de vloer.
“Joon heeft Emily niet bedrogen.”
Ik was verbaasd.
“Wat?”
“Maar hij heeft haar wel iets heel belangrijks verborgen.”
“Wat?”
Young-ho stond op.
“Joon heeft jaren geleden een fout gemaakt.”
“Welke fout?”
“Een fout waardoor iemand anders zijn leven verloor.”
Ik voelde een rilling.
“Was het een ongeluk?”
Hij knikte.
“Ja.”
“Wie?”
Hij aarzelde.
“Een man genaamd Daniel.”
Ik dacht aan het bericht.
“Wie is Daniel?”
“Zijn broer.”
Ik voelde mijn maag omdraaien.
“Zijn broer leeft dus?”
“Ja.”
“Maar u zei dat iemand zijn leven verloor.”
“Joon dacht dat Daniel dood was.”
Ik begreep er niets meer van.
Young-ho ging verder.
“Vijf jaar geleden had Joon een auto-ongeluk. Daniel zat naast hem. Joon bestuurde de auto.”
“En?”
“Daniel raakte ernstig gewond.”