Vier uur later kwam Álvaro terug.
Niet omdat hij dat oorspronkelijk van plan was.
Zijn laatste vergadering in Valencia was onverwacht geannuleerd en zijn chauffeur had hem ervan overtuigd rechtstreeks naar huis te rijden. Het was bijna middernacht toen de zwarte wagen door de poorten van La Moraleja reed.
De villa was donker.
Te donker.
Álvaro stapte uit en keek naar de bovenverdieping.
Geen nachtlampje.
Geen stem van Mateo.
Geen lach van Alba.
Geen geluid van Nico die normaal altijd nog om water vroeg.
Hij liep naar binnen.
Toen hoorde hij stemmen.
Vanuit de salon.
Beatriz lachte.
Mercedes zei iets dat hij niet kon verstaan.
En toen hoorde hij zijn eigen naam.
“Maak je geen zorgen. Álvaro zal haar nooit geloven.”
Álvaro bleef staan.
De deur van de salon stond op een kier.
Hij keek naar binnen.
Beatriz stond met een glas champagne in haar hand.
Mercedes stond naast haar.
Op tafel lag een rode fluwelen doos.
Álvaro herkende die onmiddellijk.
Zijn familiering.
De ring die zijn grootmoeder hem jaren geleden had gegeven.
Maar het ergste was niet de ring.
Het ergste was de derde persoon in de kamer.
Inés.
Ze stond bij de keukendeur.
Zonder jas.
Haar haren waren nat.
Haar gezicht was bleek.
“Alsjeblieft,” zei ze. “Ik heb niets gestolen.”
Beatriz glimlachte.
“Niemand gelooft een meisje als jij.”
Álvaro voelde iets in zichzelf breken.
Maar hij schreeuwde niet.
Hij haalde zijn telefoon uit zijn zak.
De camera stond al aan.
Hij nam alles op.
Mercedes opende de rode doos.
“Hier is het bewijs.”
Beatriz pakte de ring op.
“Leg hem in haar tas.”
Inés schudde haar hoofd.
“Ik zweer dat ik niet eens wist dat die ring bestond.”
“Dat is precies wat een dief zou zeggen,” antwoordde Beatriz.
Toen pakte Mercedes de jas van Inés.
“Je hebt tien minuten.”
Álvaro stapte de kamer binnen.
“Nee.”
Iedereen verstijfde.
Beatriz liet bijna haar glas vallen.
“Álvaro?”
Hij keek niet naar haar.