Af en toe liep hij naar een andere kamer om te bellen.
Niet vaak.
Maar genoeg om mijn onrust te voeden.
Ik schaamde me ervoor.
Ik wilde geen achterdochtige echtgenote zijn.
Toch kon ik het gevoel niet loslaten dat er iets speelde.
Een week later kwam ik thuis van een controleafspraak bij de verloskundige.
Carter was nog aan het werk.
Toen ik de post van de mat pakte, viel mijn oog op een dikke envelop.
Geadresseerd aan Carter.
Van een advocatenkantoor.
Mijn maag draaide zich om.
Ik wist dat ik zijn post niet hoorde te openen.
Dat deed ik dus ook niet.
Maar toen ik de envelop op tafel legde, voelde ik hoe de twijfel sterker werd.
Waarom had hij een advocaat nodig?
Die avond vroeg ik ernaar.
Heel voorzichtig.
“Oh, dat?” zei hij luchtig toen hij de envelop zag. “Werkgerelateerd. Niets bijzonders.”
Hij glimlachte zelfs.
Maar zijn antwoord voelde ingestudeerd.
En dat maakte me nog ongeruster.
De volgende dagen begon ik allerlei scenario’s te bedenken.
Misschien had hij schulden.
Misschien had hij problemen op zijn werk.
Misschien wilde hij scheiden.
Dat laatste idee maakte me misselijk.
Elke keer dat ik naar de babykamer keek, voelde ik een steek van angst.
We hadden zo lang gewacht op dit kind.
Zo hard gehoopt.
Ik kon me niet voorstellen dat ons leven ineens uit elkaar zou vallen.
Op een avond zat ik huilend op het bed toen Carter thuiskwam.
Meteen kwam hij naast me zitten.
“Wat is er?”
Ik keek hem aan.
“Ben je gelukkig?”
Hij fronste verbaasd.
“Natuurlijk.”
“Met ons?”
Nu leek hij echt geschrokken.
“Waar komt dit vandaan?”
Ik aarzelde.
Ik wilde hem vertellen wat ik had gehoord.
Maar ergens hield ik mezelf tegen.
“Ik weet het niet,” zei ik uiteindelijk.
Hij sloeg een arm om me heen.
“Je maakt je zorgen.”
Ik knikte.
“Dat hoort erbij,” zei hij zacht. “Je draagt een hele nieuwe wereld met je mee.”
Normaal zou zijn antwoord me gerustgesteld hebben.
Maar dit keer niet helemaal.
Nog twee weken gingen voorbij.
Toen brak eindelijk de grote dag aan.
Midden in de nacht begonnen de weeën.
Carter schoot onmiddellijk in actie.
Hij pakte de ziekenhuistas.
Belde de verloskundige.
Hielp me in de auto.
Tijdens de rit kneep hij voortdurend in mijn hand.
“Je doet het geweldig.”
Twaalf uur later hield ik onze dochter voor het eerst vast.
Perfect.
Gezond.
Prachtig.
Alle zorgen verdwenen voor even.
De dagen daarna leefden we in een waas van liefde, vermoeidheid en verwondering.
Toen we uiteindelijk thuiskwamen, gebeurde er iets onverwachts.
Op de eerste avond vroeg Carter me om even mee naar buiten te komen.
“Nu?” vroeg ik verbaasd.
“Vertrouw me.”
Nieuwsgierig liep ik met hem mee.
Voor het huis stond een auto die ik niet herkende.
Daarnaast stond een oudere vrouw.
Ze had grijs haar en vriendelijke ogen.
Toen ze mij zag, begon ze onmiddellijk te huilen.
Ik keek verbaasd naar Carter.
“Wie is dit?”
Hij glimlachte nerveus.
De vrouw stapte naar voren.
“Hallo, Emma.”
Mijn hart sloeg een slag over.
Ze kende mijn naam.
Maar ik kende haar niet.
“Ik begrijp dat je verward bent,” zei ze zacht.
“Dat klopt.”
Ze keek even naar Carter.