“Ja?”
“We hebben enkele vragen.”
Ik liet hen binnen.
Een van de agenten haalde een tablet tevoorschijn.
“Uw buurvrouw heeft vannacht aangifte gedaan wegens vandalisme. Maar er is een probleem.”
“Welk probleem?”
Hij draaide het scherm naar me toe.
“De verf die op haar auto is gebruikt, lijkt afkomstig te zijn uit dezelfde soort spuitbus als de verf die op uw auto is aangetroffen.”
Ik fronste.
“Dus?”
“De verf is niet zomaar willekeurig gekocht. Het merk en type zijn vrij specifiek.”
Ik voelde een vreemd gevoel in mijn buik.
“Hebben jullie haar huis onderzocht?”
“Nee. Daarvoor hebben we eerst meer nodig.”
De tweede agent zei:
“Maar we hebben iets interessants gevonden.”
Hij liet me een foto zien.
Een beveiligingscamera van een huis aan de overkant.
Op de opname was een persoon te zien die ‘s nachts langs mijn auto liep.
Het gezicht was niet zichtbaar.
Maar de persoon droeg een lichtgekleurde jas.
“Dat kan iedereen zijn,” zei ik.
“Dat klopt.”
Hij liet een andere foto zien.
Daarop stond een persoon naast de blauwe auto van Denise.
Dezelfde jas.
Ik keek aandachtig.
“Hoe laat was dit?”
“Drie uur en zeventien minuten.”
Ik keek hem aan.
“En wanneer werd mijn auto geverfd?”
“Volgens uw eerdere aangifte tussen twee en vier uur ‘s nachts.”
Ik voelde mijn hart sneller kloppen.
“Dus er zijn nu beelden?”
“Ja.”
“Kunnen jullie zien wie het is?”
“Nog niet duidelijk genoeg.”
De agent stopte de tablet weg.
“Maar we zijn ermee bezig.”
Toen ze vertrokken, ging ik op mijn veranda zitten.
Voor het eerst in bijna een jaar voelde ik iets wat ik bijna vergeten was.
Hoop.
Niet omdat Denise misschien problemen zou krijgen.
Maar omdat ik eindelijk het gevoel had dat de waarheid boven tafel kon komen.
Die avond kreeg ik een bericht van een onbekend nummer.
“Je had me nooit moeten beschuldigen.”
Ik staarde naar het scherm.
Mijn vingers werden koud.
Ik antwoordde niet.
Een paar seconden later kwam er nog een bericht.
“Je weet niet wat je begint.”
Ik maakte een screenshot en stuurde alles naar de politie.
Daarna zette ik mijn telefoon op stil.
De volgende ochtend werd ik wakker van een auto die voor mijn huis stopte.
Het was meneer Van Dijk.
Hij stond samen met twee andere bestuursleden van de VvE voor mijn deur.
“Christine, we moeten praten.”
Ik liet hen binnen.
Meneer Van Dijk keek ernstig.
“Er is vannacht iets gebeurd.”
“Wat?”
“De VvE heeft een nieuwe camerabeveiliging bij de parkeerplaatsen.”
Ik voelde mijn hart sneller slaan.
“En?”
“We hebben beelden.”
Hij legde een USB-stick op tafel.
“Van vannacht.”
“Hebben jullie iets gezien?”
“Ja.”
Hij keek me recht aan.
“Maar we willen dat de politie het eerst bekijkt.”
Ik knikte.
Dat vond ik prima.
Een uur later kwam dezelfde agent terug.
Hij zette de beelden op mijn televisie.
Eerst zag ik alleen de parkeerplaats.
Toen kwam er iemand in beeld.
Een persoon liep langzaam naar mijn auto.
De persoon keek verschillende keren om zich heen.
Daarna begon hij te schilderen.
Mijn adem stokte.
De persoon draaide zich even om.