“Wat heb je?”
“Een tweede verfemmer. En dit.”
Hij hield een klein plastic zakje omhoog.
Daarin zat een stuk witte tape.
Op de tape stond dezelfde code.
R-17.
Linda begon vanaf haar gazon te schreeuwen.
“Ik weet niet waar jullie het over hebben!”
De agent liep naar haar toe.
“Mevrouw, wanneer hebt u die verf gekocht?”
“Ik heb geen verf gekocht.”
Hij keek naar de verfbus die in haar garage stond.
“Dat is interessant.”
“Die is van mijn broer!”
“Uw broer?”
“Ja!”
“Waar woont hij?”
Linda zweeg.
De agent wachtte.
“Mevrouw?”
“Ik weet het niet.”
Ik keek haar aan.
Dat antwoord klonk ongeloofwaardig.
Maar de agent bleef rustig.
“U beweert dus dat u niet weet waar uw broer woont?”
“Ik zei toch dat ik het niet weet!”
“En u beweert ook dat u vannacht niet bij de auto van uw buurvrouw bent geweest?”
Linda keek naar mij.
“Nee.”
De agent knikte.
“Prima. Dat leggen we vast.”
Ik verwachtte dat hij haar meteen zou arresteren.
Maar dat deed hij niet.
In plaats daarvan liep hij terug naar mij.
“Uw auto moet worden meegenomen voor onderzoek.”
“Mijn auto?”
“Ja.”
“Maar hij is alleen met verf besmeurd.”
“Dat denken we niet.”
Hij wees naar de bumper.
“De verf heeft iets blootgelegd dat waarschijnlijk al jaren verborgen was.”
“Wat?”
“Dat weten we nog niet.”
Mijn hart begon sneller te kloppen.
“Wanneer krijg ik mijn auto terug?”
“Dat kan ik niet zeggen.”
Ik keek naar mijn witte SUV.
Drie jaar lang had ik ermee gereden.
Ik had hem gebruikt voor boodschappen, vakanties, familiebezoek.
En blijkbaar zat er onder de verf iets wat niemand ooit had gezien.
De politie sleepte de auto weg.
Linda werd meegenomen voor verhoor.
Voordat ze in de wagen stapte, keek ze me aan.
Haar woede was verdwenen.
Voor het eerst zag ik iets anders in haar ogen.
Angst.
“Jij hebt hier niets mee te maken,” riep ze.
Ik antwoordde niet.
Diezelfde middag werd ik gebeld door een rechercheur.
“Mevrouw, we hebben uw auto onderzocht.”
“En?”
“De markering R-17 is geen willekeurige kras.”
Ik ging rechtop zitten.
“Wat is het dan?”
“Een oude identificatiecode.”
“Waarvan?”
“Dat proberen we uit te zoeken.”
Hij vertelde dat de code overeenkwam met een voertuig dat bijna vier jaar geleden betrokken was geweest bij een zaak die nooit volledig was opgelost.
“Wat voor zaak?”
“Een vermissingszaak.”
Mijn vingers werden koud.
“Wat heeft mijn auto daarmee te maken?”
“Dat weten we nog niet.”
“Maar waarom stond die code op mijn bumper?”
“Dat is precies wat we proberen vast te stellen.”
Ik dacht aan de garage waar mijn auto twee jaar geleden was gerepareerd.
“Kunnen jullie de reparatiegegevens opvragen?”
“Dat hebben we al gedaan.”
Ik wachtte.
“En?”
“De bumper die nu op uw auto zit, is niet de originele.”
Ik sloot mijn ogen.
“Wat?”
“De garage heeft hem vervangen na de aanrijding.”
“Dat wist ik.”
“Maar de gebruikte vervangende bumper blijkt afkomstig te zijn van een ander voertuig.”
Ik kreeg nauwelijks lucht.
“Van welk voertuig?”
“We zijn bezig het chassisnummer te achterhalen.”
Een uur later belde de rechercheur opnieuw.
“Mevrouw, we hebben het.”
Ik hield mijn adem in.
“De bumper kwam oorspronkelijk van een bestelwagen die vier jaar geleden werd gestolen.”
Ik stond op.
“Gestolen?”
“Ja.”
“En wat heeft dat met die vermissingszaak te maken?”
Er viel een stilte.
“Dat voertuig werd ongeveer drie kilometer van de plek gevonden waar de persoon voor het laatst was gezien.”
Ik ging zitten.
“Wie was die persoon?”
“Een jonge vrouw genaamd Elise.”
Ik kende die naam niet.
Maar toen de rechercheur de achternaam noemde, herkende ik hem.
Het was de naam van een bedrijf dat ik kende.
Een bedrijf dat naast onze wijk een oude opslagloods had.
“Dat bedrijf…”
“Ja.”
“Dat was vroeger van Linda’s vader.”
De rechercheur zweeg.
“Hoe weet u dat?”
“Linda heeft me dat zelf ooit verteld.”
De volgende ochtend stond de rechercheur weer bij mijn deur.
Hij had een map bij zich.
“Uw buurvrouw heeft inmiddels toegegeven dat ze vannacht de verf over uw auto heeft gegooid.”
Ik zuchtte.
“Waarom?”
“Ze zegt dat ze bang was.”
“Waarvoor?”