Op een monitor stond een stilstaand beeld van de bewuste tafel.
Het stel zat daar rustig te eten.
Maar Jett spoelde de beelden terug.
“Let hierop.”
De man stond op.
Niet om naar de uitgang te lopen.
Hij keek eerst om zich heen.
Daarna boog hij zich onder de tafel.
Zijn beweging was kort en bijna onzichtbaar.
Hij leek iets onder de bank te schuiven.
Vervolgens ging hij weer zitten.
Tien minuten later vroeg hij om de rekening.
Daarna vertrokken ze.
Ik keek naar het scherm.
“Ze hebben die telefoon daar bewust neergelegd.”
Jett knikte.
“Dat denken wij ook.”
“Maar waarom?”
Hij antwoordde niet.
Ik keek opnieuw naar de telefoon.
“Kunnen we hem openen?”
Jett schudde zijn hoofd.
“Er zit een code op.”
Ik zuchtte.
“Dan zijn we terug bij af.”
“Niet helemaal.”
Hij drukte op een toets.
Een andere camera verscheen op het scherm.
Deze hing bij de ingang.
“Een paar minuten nadat ze vertrokken, kwam er iemand binnen.”
Ik keek naar het beeld.
Een man in een donker jasje.
Hij liep niet naar de receptie.
Hij keek rechtstreeks naar de tafel.
“Wie is dat?”
“Dat weten we niet.”
De man bleef ongeveer twintig seconden bij de tafel staan.
Daarna liep hij weer weg.
Ik kreeg een ongemakkelijk gevoel.
“Misschien wilde hij iets ophalen.”
“Misschien,” zei Jett.
Maar zijn gezicht vertelde me dat hij daar zelf niet in geloofde.
Op dat moment ging de telefoon.
Jett nam op.
“Restaurant Bellmont.”
Hij luisterde.
Zijn gezicht veranderde.
“Ja.”
Een korte stilte.
“Dat kan ik niet bevestigen.”
Nog een stilte.
“U moet daarvoor met de politie spreken.”
Hij hing op.
Ik keek hem aan.
“Wie was dat?”
“Een man die vroeg of we gisteravond een telefoon hadden gevonden.”
Ik voelde mijn hartslag versnellen.
“Dezelfde telefoon?”
“Waarschijnlijk.”
“Hoe wist hij dat?”
Jett antwoordde niet.
Toen gebeurde er iets onverwachts.
De telefoon in mijn hand trilde.
We keken allebei naar het scherm.
Een melding verscheen.
Een bericht.
Waar is mijn telefoon?
Ik keek naar Jett.
“Wat moet ik antwoorden?”
“Niet doen.”
Een tweede bericht kwam binnen.
Ik weet dat jullie hem hebben.
Daarna een derde.
Geef hem terug en niemand heeft een probleem.
Jett liep naar de deur van zijn kantoor en deed hem op slot.
Voor het eerst zag ik echte bezorgdheid in zijn ogen.
“Bel de politie,” zei ik.
Hij knikte.
Maar voordat hij zijn telefoon kon pakken, verscheen er een vierde bericht.
Connor, dit gaat niet over jou.
Ik verstijfde.
Ik had mijn naam nooit op die telefoon gezet.
Ik keek naar Jett.
“Hoe weten ze wie ik ben?”
Hij keek me aan.
“Misschien hebben ze je gezien.”
Maar dat voelde niet als een antwoord.
De politie arriveerde ongeveer twintig minuten later.
Twee rechercheurs bekeken de telefoon zonder hem aan te raken.
Ze vroegen naar de camerabeelden.
Jett liet alles zien.
De tafel.
De man.
De onbekende bezoeker.
De berichten.
Een van de rechercheurs schreef alles op.
“Deze telefoon kan belangrijk zijn,” zei hij.
“Waarom?” vroeg ik.
Hij keek naar mij.
“Dat weten we nog niet.”
Daarna vroeg hij of ik het stel eerder had gezien.
Ik vertelde alles wat ik wist.
De bestelling.
De rekening.
De wijn.
Het vertrek.
Niets bijzonders.
Tot de rechercheur vroeg:
“Hebben ze tijdens het eten gebeld?”
Ik dacht na.
“De vrouw wel.”
“Met wie?”
“Dat weet ik niet.”
“Hoe lang?”
“Misschien vijf minuten.”
Hij noteerde het.
Daarna vroeg hij iets waardoor ik stil werd.
“Hebben ze u ooit gevraagd iets voor hen te doen?”