Ik voelde tranen opkomen.
“Waarom vertelt u me dit?”
Zijn antwoord verraste me.
“Omdat ik niet wil dat u zichzelf de schuld geeft.”
Ik keek op.
“Wat?”
“Veel mensen in uw situatie vragen zich af wat ze verkeerd hebben gedaan.”
Zijn stem bleef rustig.
“Maar soms nemen mensen beslissingen die niets te maken hebben met degene die naast hen stond.”
Ik kon niets zeggen.
Voor het eerst die dag voelde ik iets anders dan verdriet.
Verwarring.
En misschien zelfs een klein beetje woede.
Die avond kwam ik thuis in een huis dat plotseling vreemd aanvoelde.
Theo had al een deel van zijn spullen meegenomen.
Zijn favoriete jas was weg.
Zijn laptop ook.
Ik liep langzaam door de woonkamer.
Elf jaar huwelijk.
Elf jaar herinneringen.
En alles was veranderd binnen enkele uren.
Op de keukentafel lag een envelop.
Mijn naam stond erop.
Met trillende handen maakte ik hem open.
Binnenin zat een korte brief.
Geen liefdesbrief.
Geen uitleg.
Slechts een paar regels.
“Het spijt me dat ik je pijn doe.
Je hebt meer voor mij gedaan dan ik ooit kan terugbetalen.
Maar ik moet uitzoeken wie ik ben buiten deze ziekte en buiten ons huwelijk.
Theo.”
Ik las de woorden drie keer.
Daarna legde ik de brief neer.
Want hoe vaak ik hem ook las, hij gaf geen antwoorden.
De weken daarna waren zwaar.
Zwaarder dan alles wat tijdens de behandeling was gebeurd.
Tijdens de kankerstrijd had ik tenminste een doel gehad.
Een reden om door te gaan.
Nu voelde het alsof ik wakker werd in een leven dat ik niet meer herkende.
Mijn collega’s merkten het onmiddellijk.
Mijn beste vriendin Carla kwam regelmatig langs.
Soms bracht ze eten mee.
Soms bleef ze gewoon zitten terwijl ik zweeg.
Op een avond keek ze me ernstig aan.
“Mag ik je iets vragen?”
Ik haalde mijn schouders op.
“Waarom blijf je zoeken naar een reden?”
Ik keek haar verbaasd aan.
“Omdat ik die nodig heb.”
“Misschien niet.”
Ik fronste.
Carla vervolgde:
“Je probeert te begrijpen waarom hij vertrok.”
“Ja.”
“Maar wat als er geen antwoord bestaat dat pijn minder maakt?”
Die vraag bleef dagenlang in mijn hoofd hangen.
Ondertussen hoorde ik af en toe iets over Theo.
Via gezamenlijke kennissen.
Via oude vrienden.
Hij was verhuisd naar een appartement aan de andere kant van de stad.
Hij leek gezond.
Hij werkte weer.
Hij bouwde zijn leven opnieuw op.
En ik probeerde hetzelfde te doen.
Langzaam.
Stap voor stap.
Ik stopte met de extra nachtdiensten.
Voor het eerst in meer dan een jaar begon ik weer normaal te slapen.
Ik ging wandelen.
Ik pakte oude hobby’s op.
Ik bezocht familie die ik maandenlang nauwelijks had gezien.
Het ging niet snel.
Maar het ging vooruit.
Ongeveer zes maanden later gebeurde er iets onverwachts.
Ik kreeg een telefoontje.
Van Theo.
Ik staarde naar het scherm.
Twintig seconden lang.
Toen nam ik op.
“Hallo.”
Aan de andere kant bleef het even stil.
“Hoi.”
Zijn stem klonk anders.
Minder zeker.
“Hoe gaat het met je?”
Ik dacht even na.
“Eerlijk?”
“Ja.”
“Beter.”
Weer viel er een stilte.
Toen zei hij iets wat ik nooit had verwacht.
“Dat is fijn om te horen.”
Ik wist niet hoe ik moest reageren.
Uiteindelijk vroeg ik: