“Welke vrouw?”
“Een vrouw die beweerde dat ze haar kende.”
Mijn man keek mij aan.
“Wie?”
Elena schudde haar hoofd.
“Dat wist ik toen nog niet.”
Ze vertelde dat Nora aanvankelijk argwanend was geweest.
Maar de vrouw had een naam genoemd.
De naam van iemand uit onze familie.
Mijn adem stokte.
“Welke naam?”
Elena keek me aan.
“Je moeders naam.”
Ik voelde mijn maag samentrekken.
“Mijn moeder?”
“Ja.”
“Mijn moeder zou Nora nooit meenemen.”
“Dat zeg ik ook niet.”
Elena haalde een oud notitieboekje uit haar tas.
“De vrouw vertelde Nora dat haar oma haar naar een andere plek had gestuurd omdat er thuis problemen waren.”
Mijn man sloot zijn ogen.
“Wat voor problemen?”
“Dat weet ik niet.”
Ik dacht aan die periode.
Mijn moeder en ik hadden inderdaad ruzie gehad.
Maar niets wat ook maar in de buurt kwam van een reden om Nora te laten verdwijnen.
Ik had mijn moeder na haar verdwijning wekenlang niet gesproken.
Niet omdat ik haar verdacht.
Maar omdat verdriet soms zelfs de sterkste familiebanden kapotmaakt.
“Wat gebeurde er daarna?”
Elena antwoordde niet meteen.
“Er was die dag een incident op de weg langs het strand.”
Ze vertelde dat een auto pech had gekregen.
De politie was erbij gekomen.
De vrouw die bij Nora was, was verdwenen voordat iemand haar kon ondervragen.
Nora was nergens te vinden.
“Waarom is dit nooit in het dossier terechtgekomen?”
“Dat stond er wel in.”
Ik keek haar ongelovig aan.
“Nee.”
“Jawel.”
Ze pakte haar telefoon.
“Ik heb een kopie.”
Mijn man boog zich naar voren.
Elena liet ons een oud document zien.
Een getuigenverklaring.
Daarin stond dat een onbekende vrouw een tienermeisje had meegenomen richting de parkeerplaats.
Maar er was onvoldoende informatie om haar te identificeren.
Mijn vingers begonnen te trillen.
“Waarom heb je dit?”
“Omdat ik destijds vrijwillig hielp bij de zoekactie.”
Ze keek naar de deken.
“En omdat ik later iets vond.”
“Wat?”
“De deken.”
Mijn hart sloeg over.
“Waar?”
“In een verlaten huisje ongeveer twintig kilometer hiervandaan.”
Ik kon nauwelijks praten.
“En Nora?”
Elena keek me aan.
“Niet daar.”
Mijn hoop zakte weg.
Maar toen vervolgde ze:
“Ik vond wel iets anders.”
Ze haalde een oude envelop tevoorschijn.
Er zat een foto in.
Een jong meisje.
Achter haar stond een vrouw.
Het gezicht van het meisje was gedeeltelijk bedekt door schaduw.
Maar ik herkende de houding.
De ogen.
De glimlach.
Nora.
“Waar is deze foto genomen?”
“In een klein dorp hier in de buurt.”
“Wanneer?”
“Ongeveer drie maanden nadat ze verdwenen was.”
Mijn man pakte mijn hand.
“We hadden dus gelijk.”
Ik begon te huilen.
Nora had geleefd.
Ze had ergens geleefd.
Maar waarom had ze nooit naar huis kunnen komen?
Elena keek naar de foto.
“Daar begint het ingewikkelde gedeelte.”
Ze vertelde dat ze de foto had gekregen van een vrouw die in het dorp woonde.
Die vrouw had Nora niet bij naam genoemd.
Ze noemde haar “Mila”.
Volgens haar was het meisje bij een oudere vrouw ingetrokken.
Ze leek bang.
Maar niet mishandeld.
Ze ging naar school.
Ze had vrienden.
En ze geloofde dat haar ouders haar niet meer wilden zien.
Ik voelde een diepe pijn.
“Dat is niet waar.”
“Dat weet ik.”
“Waarom zou ze dat geloven?”
Elena keek naar mijn man.
“Dat is de vraag die jullie moeten beantwoorden.”
Op dat moment ging de deur van het café open.
Een jonge vrouw kwam binnen.
Ze droeg een eenvoudige jas en hield een papieren zak in haar hand.
Ze keek om zich heen.
Toen zag ze Elena.
Ze glimlachte.
En liep naar onze tafel.
Mijn hart stopte bijna.
Ze had dezelfde ogen.
Dezelfde kleine glimlach.
En toen ze haar jas uittrok, zag ik een klein litteken boven haar wenkbrauw.
Nora had dat litteken gekregen toen ze twaalf was.
Ze was toen van haar fiets gevallen.
Ik wist het zeker.
Dit was mijn dochter.
Elena stond op.
“Je zei dat je haar niet kende.”
De jonge vrouw keek me aan.
“Dat deed ik ook niet.”
Mijn stem trilde.
“Nora?”
Ze werd lijkbleek.
De papieren zak viel uit haar hand.
“Wie heeft u die naam verteld?”
Ik stond op.
“Ik ben je moeder.”
Ze zette een stap achteruit.
Mijn man begon te huilen.
“Je vader.”
Ze keek naar ons alsof de wereld onder haar voeten wegviel.