De monteur opende ondertussen de motorkap.
“En er is nog iets,” zei hij.
Vanessa draaide zich om.
“Wat nu weer?”
“De auto heeft een technisch probleem. Hij start niet.”
Vanessa keek me aan.
“Jij…”
Ik stak mijn hand op.
“Nee.”
“Jij wist dat!”
“Vanessa, ik heb gisteren mijn eigen auto niet eens aan de praat gekregen.”
Ze keek naar haar SUV alsof die haar persoonlijk had verraden.
De situatie was bijna absurd.
Maar ik voelde geen behoefte om haar uit te lachen.
Ik dacht alleen aan Emma.
Aan haar natte schoenen.
Aan haar gezicht toen Vanessa gisteren had gezegd dat ze haar auto niet mocht aanraken.
Ik trok mijn jas aan.
“Kom, Emma. We moeten naar school.”
Vanessa keek me aan.
“Maar Sophie!”
Ik draaide me om.
“Wat is er met Sophie?”
“Ze moet naar school.”
Ik keek naar mijn horloge.
“Dan moet je haar brengen.”
Vanessa staarde me aan.
“Maar jij deed dat altijd.”
“Niet meer.”
Ze opende haar mond.
Ik wachtte.
Maar er kwam niets.
Dus liep ik met Emma naar onze auto.
De Honda startte nog steeds niet.
Ik belde een monteur.
Een half uur later kwam hij langs.
Hij controleerde de accu en schudde zijn hoofd.
“Dit is niet zomaar een lege accu. Hij is volledig versleten.”
“Kun je hem vervangen?”
“Zeker.”
Hij noemde een bedrag.
Het was niet weinig.
Ik slikte.
“Doe het maar.”
Emma keek me aan.
“Sorry, mam.”
Ik glimlachte.
“Waarvoor?”
“Omdat je zoveel geld moet betalen.”
Ik knielde naast haar.
“Dit is niet jouw schuld.”
Ze keek naar de grond.
“Vanessa zei dat ik haar auto vies zou maken.”
Ik voelde een steek in mijn hart.
“Luister naar me, Emma.”
Ze keek op.
“Jij bent nooit een last.”
Ze knikte.
“Oké.”
Op school zag ik Sophie bij de ingang staan.
Ze keek naar ons.
“Mam zegt dat je me niet meer wilt brengen.”
Ik antwoordde rustig:
“Ik heb besloten dat we voorlopig ieder onze eigen afspraken maken.”
Sophie keek verdrietig.
“Maar ik vind het leuk om met Emma mee te rijden.”
Emma pakte haar hand.
“Ik vind dat ook.”
Ik glimlachte.
“Jullie kunnen vriendinnen blijven.”
Sophie knikte.
Die middag kreeg ik een onverwacht telefoontje.
Vanessa.
Ik nam op.
“Hallo?”
“Kunnen we praten?”
“Waarover?”
“Over gisteren.”
Ik zweeg.
“Ik heb misschien overdreven.”
“Misschien?”
Ze zuchtte.
“Oké. Ik heb overdreven.”
“Waarom?”
“Ik was trots op mijn nieuwe auto.”
“Dat begrijp ik.”
“Nee, dat doe je niet.”
“Jawel.”
Ik keek uit het raam.
“Je mag trots zijn op iets waar je hard voor hebt gewerkt. Maar je had Emma niet hoeven vernederen.”
Ze zei niets.
“Ze is tien jaar oud, Vanessa.”
“Ik weet het.”
“Ze begreep niet waarom haar vriendin wel in die auto mocht en zij niet.”
“Ik weet het.”
Haar stem klonk nu anders.
Minder boos.
Meer beschaamd.
“Maar er is nog iets.”
“Wat?”
“De verzekering.”
Ik fronste.
“Wat is daarmee?”
“Ik heb gisteren ontdekt dat mijn verzekering de komende week niet geldig is.”
“Hoe bedoel je?”
“Ik heb de betaling gemist.”
Ik wist niet wat ik moest zeggen.
“En daarom?”
“Daarom kan ik Sophie niet naar school brengen.”
Ik begreep het.
Ze wilde dat ik weer begon.
“Vanessa…”
“Alsjeblieft.”
Ik sloot mijn ogen.
“Ik kan Sophie helpen wanneer het om haar gaat. Maar niet op dezelfde manier als vroeger.”
“Wat betekent dat?”
“Dat je niet langer automatisch op mij kunt rekenen.”
Er viel een lange stilte.
Toen zei ze:
“Dat verdien ik waarschijnlijk.”
Ik hing op.
Die avond zat ik met Emma aan tafel.
“Je hoeft nooit gemeen tegen Sophie te doen,” zei ik.
“Dat zou ik nooit doen.”
“Goed.”
“Maar ik wil haar wel blijven zien.”
“Dat mag.”
Ze glimlachte.
Een week ging voorbij.
Mijn Honda was gerepareerd.
Ik bracht Emma weer naar school.
Maar ik reed niet meer automatisch langs het huis van Vanessa.
Op de derde ochtend stond Sophie buiten met haar rugzak.
Ze zwaaide.
Emma zwaaide terug.
Vanessa stond achter haar.
Ze keek naar mij.
Ik stopte.
Niet omdat ik verplicht was.
Maar omdat Sophie daar stond.
“Goedemorgen,” zei ik.